#2.4

Plots kreeg Otto jeuk aan zijn armen. Met de ene hand krabde hij de andere arm, zodat ze voor zijn lichaam kruisten. De man vroeg Otto wat er was. Ik weet het niet zei Otto ik heb nooit zo’n jeuk. De man fronste en vroeg moeten we naar een ziekenhuis gaan? maar Otto schudde zijn hoofd, nee, dat hoeft echt niet zei hij, terwijl hij vond van wel.

Dat stelde de man niet gerust. Als het had gekund, dan waren zijn pupillen gegroeid. Hij pakte Otto’s schouder en zei het lijkt me beter als we toch een dokter zoeken. Otto knikte. Ze liepen door de straten over kruispunten en zebrapaden. Soms moesten ze omdraaien omdat het doodliep. Uiteindelijk kwamen ze aan bij een groot gebouw waar ZIEKE HUIS op stond, met tussen die woorden iets wat amper nog op een N leek.